Erfenissen van Collaboratie

Wie de collaboratie uit de Tweede Wereldoorlog bestudeert aan de hand van ‘goed’, ‘fout’ of ‘grijs’, betreedt platgetreden paden. Volgens het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) is het vruchtbaarder vraagstukken te onderzoeken die toen en nu actueel waren: vraagstukken van integratie, burgerschap, identiteit en de omgang met het verleden.

Niet lang geleden was het gewaagd te stellen dat ook het ‘foute’ Nederlandse oorlogsverleden onderzocht moest worden. Inmiddels is aandacht voor ‘fout’ geen taboe meer, noch de opmerking dat de doorsnee Nederlander tijdens de bezetting ‘grijs’ was. Wetenschappelijk onderzoek naar de collaboratie en nasleep kan daarom nieuwe wegen inslaan. De vraag is niet meer wie ‘goed’ of ‘fout’ was, of hoe ‘goed’ en hoe ‘fout’ precies. Een nieuw onderzoeksprogramma aan het NIOD wil juist door te kijken naar de naoorlogse uitsluiting en integratie van ex-NSB’ers, ex-SS’ers en hun gezinnen inzicht verschaffen in de omgang van de Nederlandse samenleving met mensen die ‘fout’ werden genoemd.

Collaboratie en bezetting

Met de Duitse bezetting in mei 1940 begon ook de collaboratie. Het overgrote deel van de samenleving koos aanvankelijk voor aanpassing aan het bezettingsregime. Pas in de loop van de oorlog veranderde dit. De Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) identificeerde zich met de doeleinden van de Duitse bezetter en collaboreerde openlijk. Tijdens de bezetting had de NSB ongeveer 100.000 leden, 23.000 mannen namen dienst in de Waffen-SS. Sommigen van hen waren overtuigde nationaalsocialisten, anderen uit op avontuur of extra voedsel voor hun familie. In alle gevallen stonden zij echter aan de ‘foute’ kant en profiteerde de bezetter van hun hulp en steun. Voor hun medeburgers betekende dit dat NSB’ers een risico vormden: het risico van arrestatie, mishandeling of zelfs deportatie.

Uitsluiting en opsluiting

De bevrijding leidde tot massale arrestatie van collaborateurs. In geïmproviseerde interneringskampen zaten medio 1945 wel 130.000 gevangenen. Naar zeker 540.000 mensen is een onderzoek ingesteld. 65.000 Nederlanders zijn ook daadwerkelijk veroordeeld. Een veel grotere groep verloor verschillende burgerrechten en werd voor enkele jaren onder toezicht gesteld. Ondanks dat Nederland zwaar gehavend uit de oorlog kwam, de Duitse terreur tienduizenden slachtoffers had gemaakt en de joodse bevolkingsgroep zelfs was weggevaagd, werd spoedig duidelijk dat de verwijdering van de oud-nationaalsocialisten niet het eindpunt van de afrekening kon zijn. Zij zouden na hun straf opnieuw geïntegreerd moeten worden. De manier waarop zij vervolgens werden klaargestoomd voor hun vrijlating laat zien welke voorwaarden in die tijd aan integratie gesteld werden. Schuld bekennen stond bovenaan: de NSB’ers dienden toe te geven dat zij ideologisch en moreel ‘fout’ hadden gezeten. Onderzoek naar deze reclasseringstrajecten kan laten zien of dit aansporen tot afleggen van de ‘foute’ identiteit inderdaad werkte of er juist voor zorgde dat beide partijen verhardden in hun standpunten.

Identiteit

Na enkele jaren waren verreweg de meeste Nederlandse collaborateurs weer vrij. Het integratieproces was echter nog lang niet voltooid. Voormalige NSB’ers en SS’ers en hun gezinnen stonden in hun buurt, op hun werk of school vaak bekend als ‘fout’. Aan deze identiteit bleek moeilijk te ontkomen. Vooral wanneer de voormalig ‘foute’ Nederlanders in oude denkpatronen bleven hangen. Maar ex-collaborateurs bleven ook door hun strafblad herkenbaar: bij bijvoorbeeld het arbeidsbureau en de gemeentelijke persoonsregistratie stond hun ‘foute’ verleden aangetekend. Zelfs degenen die wel afstand namen van hun oorlogsverleden of door hun jonge leeftijd helemaal geen ‘fout’ verleden konden hebben, worstelden soms met de oude identiteit. Dit roept de vraag op naar de openheid van de samenleving: wat moet iemand doen om erbij te horen? Wat zegt dit over de herinnering aan de oorlog?

Burgerschap

Een van de belangrijkste maatregelen jegens NSB’ers en andere collaborateurs was het afnemen van tal van burgerrechten. Velen verloren de Nederlandse nationaliteit, verloren daarmee het kiesrecht en werden ‘vreemdeling’. Dit betekende dat zij geen paspoort hadden en zich moesten melden bij de vreemdelingenpolitie. Zo stond de ‘foute’ milieus nog veel in de weg voor een volwaardige maatschappelijke participatie. De vraag is in hoeverre zij zich desondanks deel van de Nederlandse samenleving voelden. Kan men onder zulke omstandigheden het ideaal van democratisch burgerschap wel delen?

Herinnering

Wie zich geen deel voelt van de samenleving, herkent zich niet in het verhaal over de fundamenten van die samenleving. Voor mensen uit ‘foute’ milieus gold dit vaak ten aanzien van het verhaal over de oorlog. Het duurde ruim 25 jaar voordat de eerste NSB’er op televisie zijn verhaal deed. Langzamerhand werd aandacht voor de ‘foute’ kant van de geschiedenis echter steeds normaler. Niet iedere ‘foute’ bleek even ‘fout’. Zo zijn de kinderen van NSB’ers de afgelopen decennia erkend als slachtoffer van de oorlog en de nasleep. Hun jeugdjaren werden soms getekend door de maatschappelijke afwijzing van hun ouders. De erkenning van deze ‘kinderen van “foute” ouders’ als slachtoffers wijst erop dat ook hun verhaal deel is gaan uitmaken van de oorlogsherinnering. Is de integratie van de voormalige collaborateursgezinnen dan nu pas voltooid?

Minder dan 4 %

Inmiddels heeft nauwelijks 4 % van de Nederlandse bevolking de bezetting als volwassene meegemaakt. De vraagstukken van schuld en verantwoordelijkheid hebben zo een andere dimensie gekregen. Daardoor kunnen we collaboratie anders benaderen. Er zijn geen persoonlijke rekeningen meer te vereffenen. Maar des te meer vragen bestaan over hoe Nederland omgaat met de integratie van een groep die als ‘fout’ wordt gezien. Historisch onderzoek dat de erfenissen van de collaboratie bestudeert en zich niet meer blind staart op wie nu ‘goed’ of ‘fout’ was, laat zien hoe onze samenleving omgaat met zulke complexe integratieproblemen.

Algemene Voorwaarden