Peter Romijn, Snel, streng en rechtvaardig, 2e druk (Amsterdam: Olympus, 2002, 2e dr.) van: Snel, streng en rechtvaardig. Politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van ‘foute’ Nederlanders 1945-1955 Proefschrift verdedigd aan de RU Groningen, (s.l..[Houten]: De Haan, 1991).
Voorwoord bij de tweede druk van ‘Snel, streng en rechtvaardig’
Dit boek gaat over de politieke strijd rond een emotioneel zwaar geladen vraagstuk. Bij de bevrijding in 1945 kreeg de bestraffing van Nederlanders die met de Duitse bezetter hadden samengewerkt, een onafzienbare omvang. De oorlog en bezetting hadden op grote schaal levens verwoest en mensen voor het leven getekend. Er stond een afrekening op stapel met ieder die als schuldig of tenminste als medeschuldig was gebrandmerkt. Tussen de 120.000 en 150.000 mannen, vrouwen en kinderen werden in afwachting van berechting opgesloten. Het bestuur, de vrije beroepen, het bedrijfsleven en de werelden van journalistiek, amusement en cultuur waren genoodzaakt tot zuivering van collaborateurs en meelopers.
Het zou uiteindelijk ruim vijf jaar kosten om deze problemen op te lossen. In deze periode sloeg de Nederlandse samenleving nieuwe wegen in: naar dekolonisatie, internationale heroriëntatie, economische ontwikkeling en modernisering. De afrekening met ‘foute Nederlanders’ gold al snel als de erfenis van een ellendige tijd die men zo snel mogelijk achter zich wilde laten. Wie rond 1950 de oorlogservaringen aanroerde wilde daarmee vooral zeggen dat iedereen zijn best moest doen om die tijd nooit meer te laten terugkeren. Een weinig gehoorde minderheid bleef staande houden dat de louterende ervaring van onderdrukking en verzet de maatschappelijke norm moest blijven bepalen.
Pas in de jaren zestig kwam er meer kritiek op de afrekening met het kwaad en zijn handlangers. Slapheid, meegaandheid en opportunisme zouden de uitkomst hebben bepaald. Kritiek op een imperfecte zuivering was tegelijkertijd actuele maatschappijkritiek, want de maatschappelijke elites ontleenden hun legitimatie aan de oorlogservaring en de wederopbouw. Een reeks van slepende affaires zouden de notie van de verknoeide afrekening nog decennia lang voeden. In openbare debatten rond de vrijlating van de oorspronkelijk ter dood veroordeelde Duitse oorlogsmisdadigers en de affaire-Menten klonk luid de waarschuwing dat de geschiedenis zich kon herhalen. Daarom moest de bestraffing voor zover zij ondeugdelijk was geweest, worden overgedaan – en wel zuiverder dan kennelijk in de naoorlogse jaren was gebeurd.
Zulke kritische reflectie op het oorlogsverleden was voor mij de inspiratie om de politieke contekst van de bestraffing van collaboratie in Nederland onderzoeken. Er was behoefte aan een studie naar het totale beeld van de maatschappelijke verwerking. Als iedere zaak, hoe verbazend of ergelijk ook, op zichzelf werd bekeken, dan was het gevaar groot dat het beeld van die periode een karikatuur zou opleveren. Dan zou in de historische terugblik op een serieus probleem de retoriek van de geaccepteerde wijsheid de boventoon voeren.
In de politieke sfeer werden oplossingen bedacht en het daarvoor benodigde draagvlak gecreëerd. De politieke, levensbeschouwelijke en professionele elites die zich daartoe engageerden, ontdeden het probleem snel van zijn scherpe kantjes. De NSB’ers werden collectief gecriminaliseerd als ‘politieke delinquenten’ en aan ter zake deskundigen overgedragen. De zuivering van ambten en functies kreeg het technische karakter van intern-tuchtrechtelijke procedures . De voormalige verzetsbeweging werd aangesproken op de noodzaak mee te werken aan een snel herstel van de nationale saamhorigheid. Dit leidde tot een spectaculaire pacificatie. Zowel bruikbare ideeën uit deze hoek als ook ‘bruikbare’ mensen werden na de bevrijding snel geabsorbeerd door de maatschappelijke orde.
Dit boek gaat over de oplossing van een groot maatschappelijk probleem, maar het is niet alleen maar een succes-story. De uitstoting, bestraffing en reïntegratie van de grote groep van ‘foute Nederlanders’ is een uniek proces in de Nederlandse geschiedenis geweest. De afhandeling was vrij succesvol, in die zin dat een politieke crisis kon worden omgebogen tot een in grote lijnen oplosbaar maatschappelijk probleem. Dat is het collectieve aspect. Op het niveau van individuele gevallen en van mensen die door de procedurele molens werden gesleppt, is het relaas veel minder rooskleurig.
Wat achteraf treft is de hardheid en rechtlijnigheid in het optreden tegen de ‘foute Nederlanders’, zowel van overheidswege als door de naaste omgeving, of het nu ging om schuldigen of meelopers, sadisten of verliezers. De afreh]kening ging gepaard met de rampzalige collectieve internering, een trage en ondoorzichtige rechtsgang, reeksen onbillijkheden in de bestraffing en het gratiebeleid en ook de moeizame reïntegratie in de naoorlogse jaren. Deze gebreken zijn te verklaren uit de onderdrukking en de collectieve angst en verloedering van de bezettingstijd en het primaat van de wederopbouw in het berooide Nederland.
Tussen 1945 en 1955 werden de problemen rond ‘goed en fout’ vooral praktisch verwerkt. Wie er meer direct mee te maken had, was aan zijn of haar lot overgelaten. Verzetsmensen en getroffenen door vervolging en deportatie voelden zich opnieuw geslachtofferd door de teloorgang van een ‘strenge, snelle en rechtvaardige’ bestraffing. NSB’ers en hun kinderen stonden er helemaal alleen voor. Maatschappelijke reïntegratie was oppervlakkig gezien succesvol, maar in het dagelijks leven hebben velen het stigma blijvend gedragen. Zwijgen leek geraden, ook binnen het gezin. De recente overdracht van de strafdossiers van het CABR toont dat nog talloze mensen met dit aspect van het oorlogsverleden in het reine moeten komen. Dat is een zware belasting.
Peter Romijn, januari 2002