Erfenissen van Collaboratie

Een belaste generatie. Identiteit en slachtofferschap van nakomelingen van ‘foute’ ouders.

Onderzoeker: Bram Enning

De zuivering en bijzondere rechtspleging hadden na de oorlog snel en rechtvaardig collaborateurs gestraft; in 1955 zaten nog maar vierhonderd personen vast voor delicten die in verband stonden met de oorlog. Dat betekende niet dat daarmee ook de oorlog vergeten was. Gezinnen waar een of meerdere leden bekend stonden als collaborateur kampten soms nog lange tijd met sociale en maatschappelijke weerstanden. Dat had gevolgen voor hun nakomelingen, meer dan lange tijd werd vermoed.

Pogingen van de groep nakomelingen om volwaardig lid te worden van de samenleving slaagden lange tijd niet. Zij droegen niet de schuld maar wel de last van hun ouders’ daden; ze voelden zich gestigmatiseerd en buitengesloten van de samenleving. Begin jaren tachtig presenteerde een deel van de groep, gesteund door enkele hulpverleners, de ernstige gevolgen van die uitsluiting; er bestonden grote ‘moeilijkheden in hun persoonlijk en/of maatschappelijk leven’ ten gevolge van hun verleden. Moeilijkheden die zelfs om professionele hulp vroegen.

Vanaf dat moment verschenen steeds vaker verhalen in de media over de verborgen problemen van deze groep. Daarin stonden vaak de psychische, lichamelijke en maatschappelijke problemen centraal die door de maatschappelijke uitsluiting, zowel in het verleden als in het heden, waren veroorzaakt. De resultaten van een onderzoek naar de groep onderstreepten begin jaren negentig nogmaals de ernstige gevolgen: er werden vergelijkingen getrokken met de problemen van kinderen van overlevenden van de vernietigingskampen, kinderen van verzetsstrijders en slachtoffers van incest.

De identiteit als slachtoffer werd gebruikt om aansluiting te zoeken bij vergelijkbare groepen oorlogsslachtoffers – kinderen van verzetsstrijders en voormalig gedeporteerden, overlevenden van de Japanse interneringskampen. Dat had gemengde resultaten tot gevolg; de overheid subsidieerde weliswaar, net als bij de vergelijkbare groepen oorlogsslachtoffers, de speciale hulpverlening maar wilde dat niet doen met vergelijkbare middelen. Een kliniek gespecialiseerd in de behandeling van oorlogsslachtoffers erkende het leed van de groep maar weigerde leden van die groep te behandelen. Andere groepen oorlogsslachtoffers weigerden een plekje in te ruimen voor deze belaste generatie. De toenadering leek een averechts effect te hebben; de uitsluiting die tot dan toe verborgen was geweest werd nu openbaar. In het derde deelonderzoek wordt onderzocht hoe de ontdekking van de identiteit als slachtoffer van invloed was op de in- en uitsluiting van de groep nakomelingen van ‘foute’ ouders. Waarom werd juist begin jaren tachtig het slachtofferschap als identiteit van deze groep herkend? En hoe verhield zich dat tot de ontwikkeling van andere groepen slachtoffers?

Om antwoord te geven op deze vragen wordt gebruik gemaakt van de resultaten van de andere twee deelonderzoeken. Daarnaast worden de overwegingen, motieven en belangen van verschillende partijen (nakomelingen, hulpverleners, onderzoekers, media en politici) die een rol speelden in deze ontwikkeling van het slachtofferschap als identiteit van deze belaste generatie worden onderzocht. Daarvoor worden interviews met betrokkenen gebruikt en zullen archieven van organisaties als Werkgroep Herkenning, Centrum ’45, Cogis, ministeries en andere overheidsinstanties worden geraadpleegd.

Inleidende literatuur:

Hofman, J. (1981). De collaborateur: een sociaal-psychologisch onderzoek naar misdadig gedrag in dienst van de Duitse bezetter. Amsterdam: Boom Meppel.

Hofman, J. (1991). NSB-kinderen en de last van hun verleden. W.H.G. Wolters, red., Psychotrauma bij jongeren. Baarn, 1991, 142-156.

Montessori, M. (1987). NSB-kinderen: tweede generatie. In Kinderen van de oorlog. Utrecht/Amsterdam: ICODO.

Vorst-Thijssen, T., & De Boer, N. (1993). Daar praat je niet over! Kinderen van foute ouders en de hulpverlening. Utrecht: NIZW.

Withuis, J. (2002). Erkenning. Van oorlogstrauma naar klaagcultuur. Amsterdam: De Bezige Bij.

Algemene Voorwaarden