Erfenissen van Collaboratie

ProjetHelenGrevers

Het leven in de interneringskampen en gevangenissen voor politieke delinquenten, 1944 – 1950. Een vergelijking tussen Nederland en België.

Onderzoeker: Helen Grevers

In dit onderzoek worden de verschillende aspecten van de interneringskampen en gevangenissen voor politieke delinquenten in Nederland en België tussen 1944 en 1950 nader onderzocht.

Na de Tweede Wereldoorlog werden in beide landen meer dan 100.000 verdachten van collaboratie gearresteerd. Mannen, vrouwen en kinderen, jong en oud, werden in het begin gezamenlijk opgesloten. De honderden interneringskampen waren provisorisch opgezet, het personeel was vaak onbekwaam en aan voedsel en goederen was gebrek. Het was in het begin voor zowel het kamppersoneel als voor de geïnterneerden daarom vaak een kwestie van improviseren.

Deze rumoerige beginperiode heeft de herinnering aan de interneringskampen in Nederland en België voor een groot deel bepaald. Bekend zijn de afbeeldingen van het kaalknippen van ‘moffen meiden’, het te kijk zetten van collaborateurs in dierentuinen en de vernielingen die werden aangericht aan de woningen van de verdachten. En eenmaal in de kampen zouden in de eerste maanden ernstige mishandelingen en vernederingen hebben plaatsgevonden. Over deze misstanden verschenen verschillende brochures en in Nederland leidde het in 1949 zelfs tot de instelling van een Parlementaire Enquête Commissie.

Maar de verhalen over deze eerste fase en de misstanden omvatten niet alle aspecten van de naoorlogse interneringskampen. Binnen korte tijd veranderde de emoties, zoals die geuit waren rond de Bevrijdingsdagen, en kon een nieuw begin worden gemaakt op verschillende niveaus. De naoorlogse regeringen hadden het ideaal van een hernieuwde democratische natie voor ogen en het perspectief verschoof hierbij al snel van uitsluiting van de voormalig nationaalsocialistische milieus naar insluiting van deze groep in de naoorlogse samenleving. Om dit te bereiken was het noodzakelijk dat de voormalig collaborateurs niet alleen berecht, maar tevens heropgevoed werden. En hier lag een nieuwe taak voor het gevangeniswezen en de reclasseringsinstellingen.

Al snel ontstond het ideaal de politiek geïnterneerden in te lijven in ‘goed burgerschap’ via speciale programma’s binnen en buiten het kamp. De aandacht kwam met name te liggen op arbeid, scholing en ontspanning in gemeenschappelijke sfeer. Juristen, criminologen, psychiaters en sociologen kregen in deze eerste naoorlogse jaren meer belangstelling voor het gevangeniswezen en gingen steeds meer invloed uitoefenen op het beleid. In dit onderzoek zal het denken over misdaad en straf en ontstaan van het ‘morele hervorming’ beleid voor beide landen verder worden onderzocht. Hoe werden de geïnterneerden voorbereid op hun terugkeer in de samenleving? Hoe zagen deze programma’s eruit en slaagden zij? Wat was ‘goed burgerschap’ en hoe konden geïnterneerden dit bereiken?

Er lijkt hier echter een spanning te bestaan tussen het ideaal van heropvoeden en de dagelijkse praktijk. Om deze spanning bloot te leggen zal gekeken worden naar het dagelijks leven in de verschillende interneringskampen en naar de condities waarin re-integratie werd voorbereid. De ervaring van de geïnterneerden staat hierbij centraal: wat betekende het voor een voormalig collaborateur om opgesloten te zitten en hoe werd nagedacht over het verleden en de toekomst? Deze vraag hangt in grote mate samen met het vrijlatingbeleid. Vrijlating was het belangrijkste thema voor de geïnterneerden. De kwalificaties die nodig waren voor (vervroegde) vrijlating zullen verder worden onderzocht. Hing dit bijvoorbeeld samen met het verwerpen van de nationaal-socialistische beginselen en het omarmen van de democratische normen? Speelde bekering tot het geloof wellicht een rol, of werd het herstel van het gezin gezien als een belangrijk argument voor vrijlating? En in hoeverre was een geïnterneerde bereid de programma’s van de reclassering tegemoet te komen? Kortom, grepen de voormalig collaborateurs de geboden mogelijkheid aan om een nieuw begin te maken?

De vergelijkende methode zorgt voor een internationale context. Collaboratie had in Nederland een ander karakter dan in België. Onderzoek naar de verschillen zal uitwijzen hoe werd omgegaan met collaboratie, bestraffing en herintegratie. De vergelijkende methode zal de verschillende mechanismen van integratie en uitsluiting belichten, wat weer van belang is voor het tweede deelproject.

Inleidende literatuur

Nederland:

Belinfante, A.D., In plaats van bijltjesdag: de geschiedenis van de bijzondere rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog, Assen 1978. Romijn, P., Snel, streng en rechtvaardig. De afrekening met de ‘foute’ Nederlanders, Houten 1989. Harterink, F.J., Verslag van mijn internering: Bergum, Wolvega, Leeuwarden, Ameland, Farmsum, 15 april 1945- 17 januari 1947, Leeuwarden 1997.

België:

Huyse, L. en S. Dhondt, Onverwerkt verleden: collaboratie en repressie in België, 1942-1952, Leuven 1991. Rzoska, B., Zij komen allen aan de beurt, de zwarten. Het kamp van Lokeren 1944-1947, Leuven 1999. Swerts, L., Dagboek van een zware tijd: repressiejaren 1944/1950, Antwerpen 1968.

Algemene Voorwaarden