Participatie in De Nieuwe Orde. De interne partijcultuur van de Nationaal-Socialistische Beweging (1940-1945)
Onderzoeker: Josje Damsma
Dit onderzoek is een nieuwe politieke geschiedenis van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Bij het lezen van het weinige dat er over de NSB geschreven is, valt het op dat er nog steeds geen duidelijk beeld van de NSB of de NSB’er naar voren komt. Daarnaast is de periode 1940-1945 onderbelicht; de meeste studies concentreren zich op de jaren dertig. Terwijl juist de bezettingstijd vele interessante vragen oproept over collaboratie en partijcultuur. Uit internationaal onderzoek naar fascisme, collaboratie en politieke radicaliteit kunnen nieuwe invalshoeken worden gehaald. Tot nu toe zijn belangrijke vragen onvoldoende beantwoord gebleven of zelfs niet gesteld: hoe was de NSB in de periode ’40-’45 lokaal georganiseerd, wat bracht NSB’ers tot hun lidmaatschap en wat deden ze uit naam hiervan? Deze vragen leiden tot de volgende centrale probleemstelling: wat betekende het om op lokaal niveau lid te zijn van de NSB en wat zegt dit over de interne partijcultuur?
Het onderzoek kijkt in de eerste plaats naar de participatie in de NSB, en in de tweede plaats naar de hiërarchie van, de mobilisatie door en de interactie binnen en buiten de NSB. De NSB was opgezet als een partij waarin ieder lid een functie in de beweging hoorde te hebben. De partij rekende op een participatie van haar leden. In theorie was de organisatie uitgebreid, maar het is onduidelijk in welke mate deze hoge organisatiegraad invloed had op het leven van een lokale NSB’er. Ook de kwestie van de hiërarchie is nog onbeslist: werden alle beslissingen door leider Anton Mussert gemaakt, of kon een lokaal lid ook eigen initiatieven ontplooien?
Het aandachtspunt van dit onderzoek ligt grotendeels op de lokale leden van de beweging. De partij had vanaf mei 1940 een hoog ledenverloop. Er waren mensen die al lid waren vanaf 1933, en zogenaamde ‘meikevers’ die pas na mei 1940 tot de NSB toetraden. In ideologie en in gedrag verschilden de NSB-leden onderling. Naast het mobiliseren van de eigen leden probeerde de NSB ook nieuwe mensen te werven. De bezettingsperiode bracht nieuwe kansen voor NSB’ers. Het leidde tot een toename van nieuwe leden.
Om een duidelijker beeld van de nationaal-socialisten in de Nederlandse politieke context te kunnen schetsen zal ik kijken naar de interactie tussen de politieke leiding, de organisatie en het individu, tussen de beweging en de omgeving. Het antwoord op de vraag hoe de partij intern georganiseerd was zegt ook iets over de samenleving in het algemeen. Tot nu toe wordt aangenomen dat de NSB vanaf midden jaren ’30 in een isolement raakte en dat dit isolement totaal werd in de bezettingsperiode. Maar het is de vraag of in de bezettingstijd dit isolement wel zo strikt was. Is het niet veel logischer om de ruimte tussen NSB’ers en niet-NSB’ers als een schemergebied te bekijken? In dat geval moet het traditionele beeld, over ‘onbekwame’ naturen die steeds verder radicaliseerden en uiteindelijk ‘los’ kwamen te staan van ons volk, bijgesteld worden. De interactie tussen NSB’ers onderling en tussen NSB’ers en hun omgeving is gerelateerd aan de vraag naar wat het betekende om NSB-lid te zijn. Op deze manier geeft het onderzoek antwoord op de vraag welke plaats NSB’ers in hun organisatie en in de samenleving hadden.
Onderzoek naar de organisatie en het functioneren van een collaborerende partij kan een licht werpen op andere Westerse nationaal-socialistische partijen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bovendien kan dit onderzoek leiden tot een algemeen verhaal over de mate waarin politieke radicalen zich los van de samenleving bevinden of toch nog in verbinding staan met de rest van de omgeving.
Inleidende literatuur
Roger Griffin, Modernism and fascism: the sense of a beginning under Mussolini and Hitler, (Basingstoke 2007)
Van der Heijden, Chris, Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog, (Amsterdam 2001).
Lou de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, (Den Haag)
A. A. de Jonge, Crisis en Critiek der democratie. Anti-democratische stromingen en de daarin levende denkbeelden over de staat in Nederland tussen de wereldoorlogen, (Utrecht 1982)
Gerrit Andries Kooy, Het echec van een volkse beweging: nazificatie en denazificatie in Nederland, 1931-1945, (Assen 1964)
Michael Mann, Fascists, (New York 2004)
Robert Owen Paxton, The anatomy of fascism, (Londen 2004)
Peter Romijn, ‘The image of collaboration in post-war Dutch society’ in: 1945: Consequences and sequels of the Second World War. Bulletin of the International Committee of the History of the Second World War, no.27/28 (1995) 311-324.