Erfenissen van Collaboratie

'Op de Dam moeten we geen SS'ers herdenken'

Al haalde het Nationaal Comité 4 en 5 mei gisteren een streep door zijn omstreden voornemen, het lijkt nog steeds niet goed te begrijpen waarom een gedicht over een SS’er thuishoorde bij de Nationale Dodenherdenking. De kwestie geeft te denken over de capaciteiten van het Comité. Dat stelt Bram Enning, onderzoeker bij het NIOD. Lees hier het volledige artikel.

Call for Papers for the International Seminar 8-9 November 2012, Amsterdam

Citizenship after periods of occupation and collaboration

Please find the Call for Papers for the International Seminar that will take place at NIOD Institute for War, Holocaust and Genocide Studies in Amsterdam, the Netherlands on 8-9 November 2012:

The research team invites international colleagues who work on questions regarding citizenship in periods of political and social reconstruction from a historical, social sciences or psychological perspective to propose a paper for our seminar. Topics of interest may include: activists and social movements, prison regimes, minorities, re-education, welfare state.

Please send electronic abstracts of 400-500 words, with a short CV to Dineke de Visser (d.de.visser@niod.knaw.nl). The deadline for submission is 1 June 2012. Inquiries may be directed to project coordinator Ismee Tames i.tames@niod.knaw.nl

Recensie in BMGN van 'Besmette Jeugd'

In het laatste nummer van Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden – The Low Countries Historical Review (BMGN – LCHR) verscheen een recensie van het boek ‘Besmette jeugd’ van Ismee Tames. De recensie kunt u hier nalezen.

Workshop Internment, Incarceration and Detention.

3 en 4 november 2011

On 3 and 4 November 2011 the NIAS & NIOD, Institute for War, Holocaust and Genocide Studies will organize a workshop in Wassenaar (The Netherlands) on ‘Internment, Incarceration and Detention. Captivation histories in Europe around the First and Second World War’.

Click here for more information

artikel verschenen in NRC Handelsblad

De ingekorte versie van onderstaand artikel is verschenen in NRC Handelsblad, 9 december 2010 onder de kop NSB was niet grijs maar fout

NSB-verleden heeft onbevangen blik nodig

Anno 2010 wordt er te pas en te onpas verwezen naar de NSB en het fascisme. Aandacht voor het ‘foute’ verleden is belangrijk, maar blijft vaak beperkt tot sensatie of gemakzuchtige beschuldigingen over en weer. Er is weinig aandacht voor een kritische omgang met de bronnen. Daardoor worden steeds dezelfde kritieken op het oude ‘goed-fout’-denken gerecycled: overheid en samenleving waren óók fout. Een werkelijk onbevangen en kritische blik blijft niet hangen bij deze nieuwe ‘goed-fout’-variant, maar kijkt naar de bronnen zelf. Alleen zo ontstaat nieuw inzicht. Drie voorbeelden maken dat duidelijk.

Vlak na de bevrijding werden verdachten van collaboratie opgepakt en in interneringskampen opgesloten. In 1949 publiceerde ex-dominee H.W. van der Vaart Smit, zelf tot 12 jaar veroordeeld wegens collaboratie, de brochure Kamptoestanden 1944/45-48. Dit pamflet beschreef gruwelijke mishandelingen in de interneringskampen en raakte een gevoelige snaar in de samenleving. Er werden tienduizenden exemplaren verkocht en de Tweede Kamer stelde een onderzoek in. Daarna ebde de aandacht weg.

Momenteel heeft deze brochure echter de status van historisch feitenrelaas. In Paul Verhoevens film ‘Zwartboek’ (2006) is de scene waarin Carice van Houten werd geïnterneerd een compilatie van verhalen uit Kamptoestanden. Ook in televisieserie De Oorlog (2009) wordt Van der Vaart Smit als enige bron over de internering opgevoerd. Hoe kan dit?

Van der Vaart Smits aanklacht is in de jaren zeventig uit zijn oorspronkelijke context gehaald en voor nieuwe ideeën over de oorlog ingezet: het paste binnen de aanzwellende kritiek op het ‘goed-fout’-denken. Het gebruik van de brochure zegt zo meer over latere ideeën over de oorlog dan over de interneringskampen.

Wat betreft die kampen valt nogal wat af te dingen op de brochure. Zo blijkt vlak na de oorlog al juridisch onderzoek gedaan te zijn naar de misstanden. In 1945 bracht een speciale Tweede Kamercommissie bezoeken aan de kampen na alarmerende berichten in de pers. Ook de verhalen van Van der Vaart Smit werden na publicatie onderzocht. Ze bleken vaak uit de tweede of derde hand, onbewijsbaar of zelfs incorrect.

De mishandelingen hebben vooral plaats gevonden in de chaotische periode vlak na de bevrijding, toen provisorische kampen werden bewaakt door jonge mannen zonder kennis van bewaking, maar met een stengun. Er bestonden enorme tekorten aan voedsel en goederen. Machtsmisbruik tierde daardoor welig. Anders dan Van der Vaart Smit suggereert, kwam hieraan snel een eind toen het Ministerie van Justitie in 1946 het gezag over de interneringskampen overnam en een flinke reorganisatie doorvoerde.

De levensomstandigheden zijn bar geweest in de interneringskampen, er hebben mishandelingen plaatsgevonden en geïnterneerden zijn om het leven gekomen. Dit valt niet te ontkennen of te relativeren. Maar Van der Vaart Smits brochure is geen betrouwbare bron. Wie er echt meer over wil weten, dient de officiële processen verbaal te bekijken of de verslagen van de Parlementaire Enquêtecommissie.

Een tweede breed geaccepteerde voorstelling betreft het idee dat lidmaatschap van de NSB niet zoveel voorstelde. Chris van der Heijden schreef in Grijs Verleden (2002) dat veel NSB’ers weinig actieve of ideologisch bevlogen leden waren. Ook in de televisieserie De Oorlog werd het verschil tussen goed en fout meer aan toeval toegeschreven dan aan overtuigde keuze. Oftewel, goed werd een beetje fout en fout een beetje goed.

Uit Hier woont een NSB’er van Josje Damsma en Erik Schumacher (2010) blijkt echter dat de gemiddelde Amsterdamse NSB’er weldegelijk een actief en gemotiveerd lid van ‘de beweging’ was. Nieuwe NSB-leden kregen een stapel brochures waarin de ideologie, inclusief antisemitisme, uit de doeken werd gedaan. Ook ‘gezellige bijeenkomsten’ waren doordrenkt van de ideologische boodschap. ‘Echte nationaalsocialisten’ dienden hun ideologie bovendien actief uit te dragen. Daarom droeg menig NSB’er zijn partijspeldje en uniform en hing hij propaganda-affiches achter de ramen. Op straat manifesteerden de knokploegen van de NSB zich en vergaderingen blijken ook veel drukker bezocht dan gedacht. Lokale afdelingen wedijverden om het hardst wie de meeste partijkranten wist te verkopen.

Kortom, wie zich aansloot bij de NSB werd geacht dit lidmaatschap om te zetten in daden. Lidmaatschap was niet vrijblijvend. Wie zich niet inzette kon zelfs uit de partij gezet worden. Het is misschien onprettig, maar er waren onmiskenbaar Nederlanders die echt geloofden in een nationaalsocialistische toekomst.

Dit activisme moet ook in context gezien worden: in een tijd van verzuiling en massamobilisatie betekende partijlidmaatschap iets anders dan tegenwoordig. Dit gold voor alle politieke partijen, en tijdens de bezetting (toen alleen de NSB was toegestaan) voor de NSB met haar activistische en revolutionaire ideologie bij uitstek. De voorstelling dat partijlidmaatschap nauwelijks wat betekende, klinkt ons in een tijd van zwevende kiezers aannemelijk in de oren, maar gaat voorbij aan de historische werkelijkheid.

Het derde voorbeeld is de voorstelling van totale uitsluiting van NSB’ers en hun kinderen. In Nederland werd inderdaad lange tijd scherp veroordelend gesproken over de NSB: Loe de Jong liet ze bijvoorbeeld in televisieserie De Bezetting niet aan het woord. Veel NSB’ers en hun kinderen getuigen in hun herinneringen ook van allerlei vormen van pesterijen en uitsluiting.

Toch zijn er ook veel voorbeelden van het tegendeel. Damsma en Schumacher laten zien dat menig NSB’er contacten had met mensen buiten de beweging. Uit archiefonderzoek van Helen Grevers blijkt dat verdachten van collaboratie tijdens hun proces ook steunbetuigingen van ‘goede’ Nederlanders kregen.

Ook de kinderen van NSB’ers waren direct na de oorlog geen vergeten groep voor de overheid (Tames Besmette Jeugd 2009). Wat echter niet betekent dat initiatieven altijd succesvol waren of overeenkomstig onze huidige maatstaven omtrent jeugdzorg. In de jaren zeventig, toen overheid en samenleving aandacht kregen voor tweedegeneratie oorlogsslachtoffers, behoorden deze kinderen zelfs tot de eerste groepen die als slachtoffergroep werden gezien (onderzoek Bram Enning).

Kritisch bronnenonderzoek en een open mind leveren de broodnodige nieuwe inzichten op. Het oorlogsverleden is namelijk meer dan een referentiepunt voor hedendaagse discussies en stellingnamen. Het is vooral ook bittere werkelijkheid geweest.

Inhoud syndiceren
Algemene Voorwaarden